Een wet met een lastige start
Op 3 februari van dit jaar zat ik op het ministerie van Justitie en Veiligheid voor de zogeheten validatiesessie van de invoeringstoets van de Wet kwaliteit incassodienstverlening. What’s in a name, denk je dan weer.
De Wet kwaliteit incassodienstverlening, kortweg Wki, stelt eisen aan organisaties die zich bezighouden met het innen van vorderingen. Die wet moet zorgen voor een verbetering van de kwaliteit van de incassodienstverlening en het helpen terugdringen van de schuldenproblematiek in Nederland.
Bij de invoering van de wet in 2024 is bewust gekozen om al vroeg te evalueren. Dat lijkt mij terecht. Je hoeft niet jaren te wachten om te zien of iets werkt, want de praktijk meldt zich vanzelf. Tijdens de sessie spraken veel partijen hun ervaringen uit. De kritiek was stevig en uitgebreid en de KBvG heeft daar ook stevig haar inbreng geleverd.
Wie het wetgevingstraject heeft gevolgd, weet dat het tempo hoog lag. De parlementaire behandeling verliep snel en de Eerste Kamer nam de wet zonder inhoudelijk debat aan. In 2022 stond de wet in het Staatsblad. De uitvoeringsregelingen lieten vervolgens lang op zich wachten. Tot kort voor de inwerkingtreding op 1 april 2024 was op onderdelen onduidelijk hoe de wet in de praktijk moest worden uitgevoerd. Dat heeft voor onrust gezorgd.
De WKI is op zijn vriendelijkst gezegd onvoldragen wetgeving.
Te veel sectoren, te weinig ruimte
De wet raakt, daar is iedereen het wel over eens, te veel branches. Niet alleen commerciële incassobureaus, maar ook VvE-beheerders, werkgeversverenigingen en vakbonden vallen eronder. Daarmee schiet de wet zijn doel voorbij.
De wetgever heeft geen algemene uitzonderingen opgenomen. Daardoor kan er nauwelijks onderscheid worden gemaakt, ook waar dat logisch is. Gerechtsdeurwaarders en advocaten zijn uitgezonderd van registratie, maar andere partijen niet. Dat zorgt voor scheve verhoudingen binnen dezelfde keten.
Iedereen klaagt over de kosten. Bij VvE’s worden die uiteindelijk doorgeschoven naar eigenaren. Dat raakt mensen die daar niet altijd op zijn voorbereid. De bedoeling was bescherming, maar in de uitwerking pakt dat niet altijd zo uit.
Opleiding als knelpunt
Een belangrijk probleem zit in de opleidingseisen. Die zijn streng en werken in de praktijk belemmerend. Gerechtsdeurwaarderskantoren beschikken over een belangrijk reservoir aan mensen die willen leren en doorgroeien. Onder de huidige regels mogen mbo-3-stagiairs niet worden ingezet.
Dat maakt het lastiger om nieuwe mensen aan te trekken en op te leiden in een sector die al onder druk staat, met gevolgen voor de continuïteit van kantoren en de uitvoerbaarheid van het werk.
Meer papier, betere kwaliteit?
Zal het de kwaliteit verhogen: tot nu toe levert het enkel een hoop extra papier op met voor de gemiddelde debiteur onbegrijpelijke opsommingen.
Brieven worden langer en dossiers dikker. Of een brief op B1-niveau iemand die al onder druk staat daadwerkelijk bereikt, is maar de vraag. Kwaliteit zit niet alleen in regels en formulieren. Die discussie moeten we eerlijk voeren.
Vooruitkijken zonder illusies
De lijst met klachten was lang, te vrezen is dat we tot minstens 2032 moeten wachten op fundamentele aanpassingen.
De echte evaluatie staat gepland voor 2029. Daarna volgt pas het traject richting mogelijke wetswijziging. Dat betekent dat we hier voorlopig mee moeten werken. Dat vraagt iets van kantoren, van collega’s en van de KBvG. Wij blijven signalen uit de praktijk verzamelen en onder de aandacht brengen, door knelpunten uit de praktijk scherp en onderbouwd op tafel te leggen.
Wetgeving moet uitvoerbaar zijn, want dáár zit de kern van goed en verantwoord beleid.