Van papieren dossier naar digitaal werken
Wilbert begon zijn loopbaan op het kantoor van Loek Stalman in ’s-Hertogenbosch. Na drie jaar stapte hij over naar Janssen & Janssen. Daar volgde hij de opleiding tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder en in 2004 werd hij benoemd tot gerechtsdeurwaarder.
Voor iemand die nu aan het vak begint, is volgens hem vooral het verschil in automatisering groot. “Toen ik startte, was er nog geen enkel digitaal dossier. Elk kantoor had grote archiefkasten met fysieke dossiers.” Ook het opvragen van gegevens ging anders. Informatie uit de toenmalige gemeentelijke basisadministratie werd fysiek opgevraagd en liet volgens Wilbert doorgaans ruim een week op zich wachten. Inmiddels verloopt een groot deel van het werk digitaal.
De veranderingen gingen verder dan techniek. In 2001 trad de Gerechtsdeurwaarderswet in werking. Er kwam landelijke bevoegdheid en de beroepsorganisatie kreeg regelgevende bevoegdheden. Ook het tuchtrecht veranderde. Wilbert noemt daarnaast het evaluatierapport Noblesse Oblige als een belangrijk moment. Volgens hem leidde dat binnen de KBvG tot verdere professionalisering en meer gebruik van de regelgevende bevoegdheden. “Vanaf zo’n beetje 2012 werd de gerechtsdeurwaarder een gelijkwaardige partner in het juridisch bestel.”
Meer aandacht voor mensen met schulden
Van alle ontwikkelingen in zijn loopbaan vindt Wilbert de groeiende aandacht voor mensen met schulden een van de belangrijkste. Vooral de positie van mensen met problematische schulden kreeg volgens hem een andere plaats in het maatschappelijke en politieke gesprek. “Waar we vroeger spraken over betalingsachterstanden, wordt nu politiek en maatschappelijk veel meer over schulden gesproken. De schaamte is daar wel een beetje vanaf.”
Die verandering ziet hij ook terug in het werk van gerechtsdeurwaarders. De gerechtsdeurwaarder staat onafhankelijk tussen schuldeiser en schuldenaar. In de dagelijkse praktijk is er volgens Wilbert meer ruimte en aandacht gekomen voor de omstandigheden waarin iemand met schulden verkeert. “De aandacht die de deurwaarder in zijn dagelijkse praktijk moet hebben en mag hebben voor de positie van de schuldenaar is aanzienlijk gegroeid. Dat is een goede ontwikkeling.”
Wilbert ziet dat ook bij jongere collega’s. Zelf werkt hij inmiddels minder buiten de deur en houdt hij zich meer bezig met de aansturing en coaching van medewerkers. “Jonge medewerkers zijn in een andere samenleving opgegroeid. Aandacht en zorg voor mensen met schulden in een kwetsbare positie is voor hen veel meer een vanzelfsprekendheid.”
Eerst begrijpen wat er speelt
Wilbert voert zelf al enkele jaren geen gesprekken meer aan de deur. Als klachtbehandelaar spreekt hij wel regelmatig mensen met schulden die een klacht hebben. Daar ziet hij overeenkomsten met de gesprekken die zijn collega’s tijdens huisbezoeken voeren. “Het begint met aandacht voor het verhaal achter de schuld en achter de debiteur. Van daaruit zoek je samen naar oplossingen.”
Sommige gesprekken zijn ingewikkeld. Wilbert heeft bijvoorbeeld nog steeds contact met slachtoffers van de toeslagenaffaire en staat een aantal van hen bij. Sommigen wachten nog op een definitieve afwikkeling. Hij merkt dat deze ervaringen het vertrouwen in de overheid hebben beschadigd. Dat kan ook gesprekken over een verwijzing naar schuldhulpverlening lastig maken.
De pilot ketenverwijzing sluit aan bij de ontwikkeling die Wilbert beschrijft. Tijdens de pilot onderzochten gerechtsdeurwaarders en gemeenten hoe mensen met problematische schulden eerder in contact kunnen komen met de gemeentelijke schuldhulpverlening. Met toestemming van de betrokkene kan de gerechtsdeurwaarder zorgen voor een warme doorverwijzing. De wettelijke taak van de gerechtsdeurwaarder blijft daarbij het uitgangspunt. In de dagelijkse praktijk is er meer aandacht gekomen voor de omstandigheden van mensen met problematische schulden.
Ook de schuldeiser wacht op zijn geld
De aandacht voor mensen met schulden verandert volgens Wilbert niets aan de verantwoordelijkheid tegenover de schuldeiser. Hij koos ooit voor het vak vanuit de wens om te werken aan rechtvaardigheid. Daar hoort voor hem ook bij dat iemand die recht heeft op betaling zijn geld krijgt. Zijn kantoor werkt onder meer voor kleine mkb-ondernemers. Voor hen kan een openstaande rekening veel betekenen. “Die kunnen oprecht nog blij zijn als je voor hen een openstaande rekening kunt incasseren.” Voor Wilbert horen beide kanten bij het werk van de gerechtsdeurwaarder: aandacht voor de omstandigheden van de schuldenaar en oog voor de belangen van de schuldeiser.
Een vak dat blijft veranderen
Voor de komende jaren ziet Wilbert de beeldvorming rond het beroep als een belangrijke uitdaging. Op sociale media komt hij berichten tegen over de ‘schuldenindustrie’, waarin volgens hem een ongenuanceerd of onjuist beeld van gerechtsdeurwaarders wordt gegeven.
Over de toekomst van het beroep is hij positief. “Gerechtsdeurwaarders staan in het rijtje van huisartsen, dokters, politieagenten en rechters. In een ideale wereld zijn die allemaal overbodig. De wereld is allesbehalve ideaal, dus we blijven nuttig én nodig.”
Hij hoopt ook dat nieuwe gerechtsdeurwaarders de stap naar het ondernemerschap durven zetten. Wilbert ziet veel toegevoegd gerechtsdeurwaarders die enthousiast zijn over het ambt, maar weinig nieuwe ondernemers. Zijn advies aan mensen die nu aan de opleiding beginnen is kort: “Waag de stap.”
In ruim dertig jaar veranderden de techniek, de wetgeving en de aandacht voor mensen met schulden. Voor Wilbert bleef de verantwoordelijkheid die bij het ambt hoort centraal staan: naar de schuldenaar, de schuldeiser en de samenleving.
Zoals hij het zelf samenvat: “Een goede gerechtsdeurwaarder is iemand die het nuttige en nodige in elke situatie durft te doen en daar de volle verantwoordelijkheid voor durft te nemen, zowel naar schuldenaar en schuldeiser en zeker ook naar de maatschappij.”