Goede bedoelingen zijn niet genoeg
De aanstaande zorgplicht houdt veel gerechtsdeurwaarders bezig. De verdere uitwerking van de handelingskaders raakt immers aan de kern van ons werk en aan de afwegingen die we dagelijks maken. Voor mij staat daarbij één vraag centraal: hoe geven we als beroepsgroep invulling aan deze verantwoordelijkheid, op een manier die duidelijk is voor gerechtsdeurwaarders en werkbaar is in de praktijk?
Dat we als beroepsgroep zorgvuldig moeten handelen, staat voor mij niet ter discussie. Maar zodra we die verantwoordelijkheid verder willen uitwerken, komen er concrete vragen op tafel. Welke ruimte heeft een gerechtsdeurwaarder om een andere afweging te maken? Hoe verhoudt die ruimte zich tot de ministerieplicht? En wat betekent dit voor de werkzaamheden die we dagelijks uitvoeren?
Juist daar moeten we duidelijkheid bieden. Ik wil voorkomen dat we een zorgplicht formuleren die op papier goed klinkt, maar in de praktijk vooral nieuwe vragen oproept. Niet iedere situatie laat zich vooraf vastleggen. Dat maakt heldere uitgangspunten en werkbare handelingskaders des te belangrijker.
Eén lijn in plaats van twee plichten
Inmiddels is een belangrijke stap gezet in de gedachtevorming over de verhouding tot de ministerieplicht. Het idee van een afzonderlijke sociale ministerieplicht riep bij veel collega’s vragen en zorgen op. Inmiddels is duidelijk dat we die richting niet inslaan. Het uitgangspunt is een nieuwe weigeringsgrondslag binnen de bestaande ministerieplicht, zodat er geen twee afzonderlijke plichten naast elkaar ontstaan.
Ik vind het belangrijk dat we die samenhang goed regelen. De ministerieplicht is een fundament van ons ambt. Een verdere uitwerking van de zorgplicht moet daarop aansluiten en duidelijk maken hoe beide zich tot elkaar verhouden. Dat vraagt om zorgvuldige juridische keuzes, maar uiteindelijk moet vooral de gerechtsdeurwaarder ermee kunnen werken.
Daarom werken we binnen de KBvG aan handelingskaders en betrekken we daarbij onze leden. De klankbordgroep waarover ik in mijn eerdere bijdragen al schreef, helpt ons om de uitwerking te toetsen aan de praktijk. De ervaringen van collega’s helpen ons om de kaders aan te scherpen en te voorkomen dat een juridisch sluitende uitwerking in de praktijk onnodig ingewikkeld blijkt.
Ook de rekening moet kloppen
Maar werkbare en heldere kaders alleen zijn niet genoeg. De zorgplicht moet niet alleen juridisch goed in elkaar zitten, maar ook uitvoerbaar zijn in de dagelijkse praktijk. De zorgplicht brengt verwachtingen en verantwoordelijkheden met zich mee, maar vraagt ook om tijd en middelen om die in de praktijk waar te maken. Als we willen dat gerechtsdeurwaarders zorgvuldig kunnen handelen, signalen kunnen opvolgen en waar nodig de-escalerend kunnen optreden, moet daar ook structureel ruimte voor zijn.
Daar zitten we als KBvG bovenop. We voeren intensief gesprekken met het ministerie en leveren input op rapporten die relevant zijn voor dit vraagstuk. De financiering is voor mij geen onderwerp dat pas aan het einde van het traject aan bod moet komen. Het is een randvoorwaarde die vanaf het begin onderdeel moet zijn van de gesprekken. De inhoudelijke ambities en de praktische en financiële haalbaarheid moeten met elkaar in balans zijn.
Verantwoordelijkheid moet werkbaar zijn
De komende periode zetten we de verdere uitwerking van de handelingskaders voort. Dat vraagt om samenwerking, maar ook om duidelijke keuzes over wat we van het ambt verwachten en wat daarvoor nodig is. Daarbij gaat het niet alleen om de regels, maar ook om de vraag hoe we als beroepsgroep invulling willen geven aan onze maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Daar wil ik mij als bestuurslid voor inzetten. Niet door iedere situatie dicht te regelen, maar door ervoor te zorgen dat gerechtsdeurwaarders duidelijke kaders en voldoende ruimte hebben om hun werk zorgvuldig en professioneel uit te voeren.